Ruzies gebeuren nu eenmaal, maar om ze nu te bezien als sportieve hoogtepunten gaat mij te ver.
"Weet je wat jij moet doen, Pa? Opzouten! Je doet ook nooit wat voor me."
Dat is vrij vertaald, want mijn zestienjarige dochter zei nog wel méér. Helemaal overstuur was ze, omdat het feestje op de zaterdag niet kon doorgaan omdat Pa-lief niet van plan was om drie uur 's nachts nog even naar Amersfoort te rijden om dochter-lief huiswaarts te begeleiden.
Daarmee was de ruzie begonnen.
"Wat zeg je?"
"Ladies and gentlemen, welcome to the first event of the day. The competitors are just warming up. On my right Crazy Daddy and on my left Furious Female…."
Zoon-lief zat het vanachter zijn stripverhaal gade te slaan en had zichzelf een mooie rol toegemeten.
"Drie uur in de nacht! Je denkt toch niet dat ik zo laat nog wakker blijf alleen om jou even op te halen? Kom dan om twaalf uur thuis of zo."
"Pa, dan begint het net. Je snapt er ook helemaal niks van."
"Furious Female is very strong in this competition as is shown by her opening move. Let's see if Crazy Daddy has a response. Oh, what a competitor. He is playing the "You could understand me if you tried-card. He is actually appealing to his opponent's maturity. Let's see how this will evolve. Over to you, Martha."
"Begint het net? Dat snap ik inderdaad niet, inderdáád niet. Een normaal feestje is rond twaalf uur afgelopen. Er is ook nog een dag erna."
"Pa, dat is een zondag, dan kan ik uitslapen."
"Ja, jij wel. Ik moet om tien uur in de kerk zijn."
"Die stomme kerk ook, je hebt een vrije dag, jij hoeft ook niet weg."
"From where I stand, I can see the contestants now moving to the second stage. Crazy Daddy is being challenged seriously for the first time now. Let's take a look at the situation for a moment. Furious Female has reached a level of scorn we rarely see in this competition. Her head is tilted slightly, I would estimate up to 35 degrees, and she is pulling a bilateral tongue twister. Her eyes are positively brimming with disdain. This could change everything. Will Crazy Daddy have anything to respond with? He must be careful, the judges are watching, if he shows weakness now, I think it might be all over."
"Het is heel simpel, jij gaat niet daar dat feestje en dat is niet het eind van de wereld. Je kunt geen overdreven eisen stellen. Ik ben geen taxi."
"Wow, that might be it! Yes, the judges are looking at the situation now. Let's see what they're saying. Yes, yes, it's all over! Crazy Daddy has failed the No-Sarcasm rule, and the judges are quite right. Wow, what a competitor this Furious Female is. She lured him out into the open, blocked all his objections and them she made him fumble in Sarcasm."
"Yes, Martha, we could see it all happen. Crazy Daddy has been disqualified, and I hope you can hear me now over the cheers of the crowd. He has lost this match, and I must add, again! Last week it was about a piece of clothing, where he was booted out because he said: "I wouldn't be seen alive in that dress." That cost him the match in just five minutes. We can now hear the starting horn for the second time, and it's all over. Let's hear it from Crazy Daddy himself. How rough was it this time? Did you think it would be all over so quickly?"
"Well," zei ik. "I wasn't quite prepared for that last blow. I was expecting her to show some scorn and then pleading, lots of pleading. But she managed to trick me into the Sarcasm pit, and there it was. Well played I must say."
"So, what is your next event in this tournament?"
"Well, I think it will be the nightly driving event, on the road to Amersfoort, that will be next. But I can still do some serious training before that starts at Saturday night."
"Any plans for the future?"
"My opponent is sixteen years old. I am looking forward to her reaching the mature age of eighteen. I think I will then choose another competitor."
"Yeah, me," zei mijn zoon, grinnikend.
Het was een nacht met een volle maan. En ik kon inderdaad uitslapen.
dinsdag 17 februari 2009
Parapoezie
Misschien bestaat het al, misschien heeft het een andere naam. Maar ik vind het wel mooi klinken. Para-poëzie. Je leest weleens dat iemand 'vrij naar x of y' een gedicht maakt. De oorspronkelijke vorm is nog herkenbaar, maar het eindresultaat is anders. Nu kan dat pastiche heten. Overname van stijl en zo. Iets teveel en dan is het plagiaat, en als je de schrijver onderuit wilt halen is het parodie.
Maar als je nu eens een repliek wilt geven in iemands eigen stijl? Een commentaar wilt geven? Maar niet in kritisch analytisch proza, maar in de vorm van een gewijzigde versie?
Dan heet het wat mij betreft parapoëzie - als het om gedichten gaat, natuurlijk. Het is net als met de foto's die losjes gebaseerd zijn op de schilderen van Andrew Wyeth - zie mijn blog over zijn realisme elders. Het is geen copie, het is zelfs een ander medium. Maar in samenhang met het origineel dat als vertrekpunt dient, geeft het commentaar.
Parapoëzie dus.
Neem nu eens dit gedichtje:
Schuimende morgen, en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag
(H. Marsman)
Je denkt bij jezelf: waar gaat dit over, wat roept het op, zie ik het anders, wat zou ik met die woorden kunnen?
En dan maak je bij voorbeeld dit ervan:
De morgen schuimt en schuurt
Mijn ochtendgrauwen vuurt
ik drink ontzaggelijke schalen
om deze morgen te vertalen
is heel mijn leven lucht, geen aarde
en de vrouw die mij ooit baarde
schept vandaag weer met haar lach
de aanblik van de opalen dag
Dit is maar lulkoek, want er zit nu geen idee in. Maar het procedé is dus: de woorden die de kern uitmaken erin houden, een andere betekenis of plaats geven, het ritme en rijm veranderen en zo een "andere versie" van hetzelfde maken. Hier is de stijl veranderd, dus het is geen pastiche. Het is wel geheel en al op het origineel gebaseerd.
(Maar in dit geval is het inhoudelijk helemaal niks.)
Misschien bedenk ik nu een schijnbaar geleerde naam voor wat al lang bestaat. Maar ook dat geeft me veel plezier - net als parapoëzie dus.
Maar als je nu eens een repliek wilt geven in iemands eigen stijl? Een commentaar wilt geven? Maar niet in kritisch analytisch proza, maar in de vorm van een gewijzigde versie?
Dan heet het wat mij betreft parapoëzie - als het om gedichten gaat, natuurlijk. Het is net als met de foto's die losjes gebaseerd zijn op de schilderen van Andrew Wyeth - zie mijn blog over zijn realisme elders. Het is geen copie, het is zelfs een ander medium. Maar in samenhang met het origineel dat als vertrekpunt dient, geeft het commentaar.
Parapoëzie dus.
Neem nu eens dit gedichtje:
Schuimende morgen, en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag
(H. Marsman)
Je denkt bij jezelf: waar gaat dit over, wat roept het op, zie ik het anders, wat zou ik met die woorden kunnen?
En dan maak je bij voorbeeld dit ervan:
De morgen schuimt en schuurt
Mijn ochtendgrauwen vuurt
ik drink ontzaggelijke schalen
om deze morgen te vertalen
is heel mijn leven lucht, geen aarde
en de vrouw die mij ooit baarde
schept vandaag weer met haar lach
de aanblik van de opalen dag
Dit is maar lulkoek, want er zit nu geen idee in. Maar het procedé is dus: de woorden die de kern uitmaken erin houden, een andere betekenis of plaats geven, het ritme en rijm veranderen en zo een "andere versie" van hetzelfde maken. Hier is de stijl veranderd, dus het is geen pastiche. Het is wel geheel en al op het origineel gebaseerd.
(Maar in dit geval is het inhoudelijk helemaal niks.)
Misschien bedenk ik nu een schijnbaar geleerde naam voor wat al lang bestaat. Maar ook dat geeft me veel plezier - net als parapoëzie dus.
dinsdag 10 februari 2009
Het geniale van de slapeloosheid
Van woensdagnacht tot en met zondagnacht heb ik niet geslapen. Nou ja, tien minuten hier en daar, en eens een volle anderhalf uur op de bank, met mijn mond open. Mijn huisgenoten spraken later over de "plotselinge nabijheid van Schiphol" en vergeleken mij met rondrazende zandautos bij de afgraving van de mergelgrotten in Maastricht. De brandweer was bijna gebeld. En dat was niet leuk, want lachen doet me intussen ook pijn.
Lichamelijk is zo'n slapeloosheid een ramp. Spierpijn, hoofdpijn, dubbelzien, dat is nog maar het begin. Je raakt gedesoriënteerd, en je lichaam begint van alles te vergeten. Het verschil tussen rechts en links bij voorbeeld. Maar het gaat nog veel verder. Er zijn van die paniekmomenten als je eigenlijk echt serieus werkelijk slapen moet, en dan merkt dat je verdikte tongbasis je keel weer afsluit. Alsof iemand je probeert te wurgen. Je opent meteen weer je ogen, maar de aanvaller is verdwenen. Twee keer of vijf keer red je het nog zonder dat je de moed verliest. Tien keer achter elkaar, en dan ga je maar weer rechtop zitten. Op een goed moment begon ik veel zwarte koffie te drinken om maar vooral echt wakker te zijn - want dat is beter dan in een slaap wegglijden die toch niet meer komt.
Raar effect geeft dat: want dan ben je midden in je slapeloosheid plotseling weer volkomen helder, je denkt als een razende en niets is te moeilijk. Je kunt alleen niet lezen: het licht doet pijn aan je ogen of het is niet sterk genoeg voor een dik bedrukte pagina.
Maar ik bedoel dus: helder! Volkomen helder, een volmaakt transparante, goedwerkende geest die bijna los van je lijf zijn eigen gang gaat. En die zich graag met iets zinvols wil bezighouden. En die plotseling alles lijkt te snappen. Geen geheimen meer in de wereld.
God zij dank dus voor het internet!
Ik merkte dat ik niet kon lezen, geen TV programma meer kon volgen, - daar heb je blijkbaar je lijf voor nodig - maar wel iets anders. Ik kon college's volgen op internet in "Yalecourses"!
Te gek systeem. Colleges worden daar als youtubefilmpjes op internet geplaatst. Openbare colleges economie, psychologie, Amerikaanse literatuur en geschiedenis, biologie, astrofysica en er is zelfs een inleiding "financiele instellingen."
Ik heb daarom deze week mijn introductieklas psychologie (Over "sexuele motivatie") en massieve zwarte gaten afgerond. Ik weet nu alles van de Amerikaanse burgeroorlog en haar nasleep en spreek als financieel expert over Jack Kerouac's "On the Road." Wist u dat Politieke Filosofie 101 over Plato's De Staat gaat? En dat hij in het geheel geen fascist was, en eigenlijk de hele samenleving als een universiteit zag?
Vannacht ga ik proberen om het college over slapeloosheid te volgen. Maar ik weet zeker dat ik straks - met een pondje medicijnen in mijn bloedvaten - wel weer de slaap der onwetenden zal slapen. Mijn lijf heeft tegen die tijd weer alle macht en mijn tijdelijk bevrijde geest zal zich weer moeten schikken in de omknelling van Morpheus die me mijn nieuw verworven opleiding weer zal doen vergeten.
Plato had gelijk. Het lichaam kan soms een kerker van de ziel zijn.
Lichamelijk is zo'n slapeloosheid een ramp. Spierpijn, hoofdpijn, dubbelzien, dat is nog maar het begin. Je raakt gedesoriënteerd, en je lichaam begint van alles te vergeten. Het verschil tussen rechts en links bij voorbeeld. Maar het gaat nog veel verder. Er zijn van die paniekmomenten als je eigenlijk echt serieus werkelijk slapen moet, en dan merkt dat je verdikte tongbasis je keel weer afsluit. Alsof iemand je probeert te wurgen. Je opent meteen weer je ogen, maar de aanvaller is verdwenen. Twee keer of vijf keer red je het nog zonder dat je de moed verliest. Tien keer achter elkaar, en dan ga je maar weer rechtop zitten. Op een goed moment begon ik veel zwarte koffie te drinken om maar vooral echt wakker te zijn - want dat is beter dan in een slaap wegglijden die toch niet meer komt.
Raar effect geeft dat: want dan ben je midden in je slapeloosheid plotseling weer volkomen helder, je denkt als een razende en niets is te moeilijk. Je kunt alleen niet lezen: het licht doet pijn aan je ogen of het is niet sterk genoeg voor een dik bedrukte pagina.
Maar ik bedoel dus: helder! Volkomen helder, een volmaakt transparante, goedwerkende geest die bijna los van je lijf zijn eigen gang gaat. En die zich graag met iets zinvols wil bezighouden. En die plotseling alles lijkt te snappen. Geen geheimen meer in de wereld.
God zij dank dus voor het internet!
Ik merkte dat ik niet kon lezen, geen TV programma meer kon volgen, - daar heb je blijkbaar je lijf voor nodig - maar wel iets anders. Ik kon college's volgen op internet in "Yalecourses"!
Te gek systeem. Colleges worden daar als youtubefilmpjes op internet geplaatst. Openbare colleges economie, psychologie, Amerikaanse literatuur en geschiedenis, biologie, astrofysica en er is zelfs een inleiding "financiele instellingen."
Ik heb daarom deze week mijn introductieklas psychologie (Over "sexuele motivatie") en massieve zwarte gaten afgerond. Ik weet nu alles van de Amerikaanse burgeroorlog en haar nasleep en spreek als financieel expert over Jack Kerouac's "On the Road." Wist u dat Politieke Filosofie 101 over Plato's De Staat gaat? En dat hij in het geheel geen fascist was, en eigenlijk de hele samenleving als een universiteit zag?
Vannacht ga ik proberen om het college over slapeloosheid te volgen. Maar ik weet zeker dat ik straks - met een pondje medicijnen in mijn bloedvaten - wel weer de slaap der onwetenden zal slapen. Mijn lijf heeft tegen die tijd weer alle macht en mijn tijdelijk bevrijde geest zal zich weer moeten schikken in de omknelling van Morpheus die me mijn nieuw verworven opleiding weer zal doen vergeten.
Plato had gelijk. Het lichaam kan soms een kerker van de ziel zijn.
donderdag 5 februari 2009
De Vergeters
Dit verhaal schreef ik, toen ik geen idee meer had hoe het verder moest met mijn boek en ik veel te vroeg was wakker geworden. Ik wilde het oorspronkelijk hebben over writers block, maar het verhaal bracht me in de buurt van iets geheel anders: selectief geheugen verlies. En is dat niet de grootste angst voor iedereen die examen doet?
Daarom heette het eerst: Examen Tijd. Maar toen wilde ik nog een stukje toevoegen over Lenning, de arme man, en verklaren waarom hij nu juist een overdosis had gekregen. Dus heette het Overdosis. Maar nu heb ik het De Vergeters genoemd. Want dat is wat deze nanomoleculen eigenlijk zijn.
De Vergeters
Het begon klein, met een ontdekking in een laboratorium in Maastricht waar niemand precies wist wat er was misgegaan. Het was een klein laboratorium, met een kleine staf, dat ook nog. Het was opgezet door een groep Nederlandse miljonairs die anoniem wilden blijven, maar onderzoek wilden laten doen naar het virus dat HIV veroorzaakt. Ze wilden iets nieuws proberen.
Jan Lenning was officieel het hoofd van de onderzoeksgroep. Hij was de enige wetenschapper van formaat die ze hadden kunnen vinden voor dit onderzoek. Ze hadden hem benaderd toen zijn onderzoekscontract in MIT in Boston niet werd verlengd. Hij was met enthousiasme gekomen, had voorstellen gedaan voor nieuw onderzoek en zodra de eerste salarisbetalingen binnen kwamen, was hij elke dag trouw naar zijn werk gegaan, gooide af en toe wat stoffen in retorten en maakte het zich gemakkelijk. Zijn tijd verdeelde hij tussen slapen en naar filmpjes op You Tube kijken. Zijn kleine staf liet hij al het werk doen. Hij geloofde niet in het project.
Zijn stafleden wel, maar die hadden geen imposante literatuurlijsten en Nobelprijzen achter hun naam staan. Het waren in zekere zin amateurbiologen. Het laboratorium werd snel opgezet.
"Kunt u nog eens proberen mij, in eh, lekentaal uit te leggen, wat u hier eigenlijk aan het doen bent?"
Peter Merwede keek bezorgd naar de kleine man tegenover hem. Met zijn smetteloze donkere pak en verzorgde haren zag hij er imposant uit, vooral vanwege zijn lichtblauwe ogen die alles schenen te zien. Peter wist dat hij er in zijn besmeurde laboratoriumjas en zijn pieken ontembaar haar vreemd uit moest zien. Hij had hem erbij geroepen, om de kwestie zo discreet mogelijk aan te pakken.
"Jazeker, meneer Verwegen. Dan moet ik beginnen met een klein lesje biologie, als u het niet erg vindt."
Hij schraapte zijn keel om een aanloop te nemen maar de kleine man keek berustend.
"Kijk, elk virus bevat een kleine hoeveelheid RNA, ribonucleïnezuur. Dat zuur word gevormd door vier basen, cytosine, guanine, uracil en adenine. Samen met een suikerribose en fosfaat vormen die basen een zogenaamde nucleotide en een streng nucleotiden met die vier basen als grondstof, is een streng RNA. Dit RNA is van vitaal belang omdat het de informatie van het DNA doorgeeft bij de reproductie van een cel. Ribosomen zorgen voor de eiwitproductie, maar hun informatie moet van het DNA in de kern van de cel komen. RNA is de drager van die informatie, de postbode. Kunt u mij volgen?
"Jawel, RNA, vier nucleotiden, informatie van het DNA. Ik ben er."
"Wanneer de twee strengen van een gen uit elkaar worden getrokken, maakt het RNA een copie, een afschrift. En dat afschrift wordt gelezen door de ribosomen en daarmee wordt een bepaald eiwit gemaakt. Die informatie bepaalt precies welke combinatie van aminozuren voor dat eiwit moet worden gebruikt. Een virus is in wezen een klein RNA fabriekje dat in staat is het DNA van een gastheercel te kopiëren voor zijn eigen behoeften. Wat eigenlijk plaatsvindt is te vergelijken met het hacken van een computer. Omdat het virus de code in zijn RNA heeft zitten om de gastheercel binnen te kunnen dringen, kan die vervolgens zijn eiwitten laten aanmaken door de gastheer en evenveel kopieën laten produceren als het nodig heeft."
"Copieën van zichzelf vermoedelijk?"
" Zeker, maar ook kopieën van de cel waardoor hij meer ruimte krijgt."
"Oke, ben er."
"Het idee waaraan we hier werkten was om het RNA molecuul, dat voor de overdracht van de informatie zorgt, te onderscheppen vóór het zijn informatie aan de ribosomen kan afleveren. De brief die verstuurd wordt, komt dan nooit aan om zo te zeggen en in plaats daarvan kunnen we een nieuwe boodschap programmeren. Zodra het virus een opdracht geeft om een eiwit aan te maken, wilden we ervoor zorgen dat die opdracht niet aankwam. In feite probeerden we kleine informatievreters te maken, zodat elke nieuwe informatie op moleculair niveau wordt geblokkeerd of veranderd in zijn oorspronkelijke staat.
"Het bijzondere van ons onderzoek is dat we hiervoor geen natuurlijke stoffen willen gebruiken, maar kleine programmeerbare moleculen, nanomocs, die kunstmatig in een kleine tank worden gemaakt."
Het verhaal was er vlot uitgekomen alsof hij dagelijks een groep toeristen had moeten rondleiden. Hij keek naar zijn bezoeker om te zien of deze onder de indruk was, maar op het licht glimlachende gezicht van de man was niets af te lezen.
"Het grootste probleem was niet het RNA, maar het programmeren van de nanomocs. We waren er zeker van dat als dat eenmaal zou lukken, de toepassing op het RNA makkelijk zou verlopen. Maar het ging een beetje te goed."
De gast knikte, maar het bleef onduidelijk of hij al deze informatie had kunnen opnemen. Maar toen hij na een korte stilte sprak, bleek dat hij het heel goed begrepen had.
"Er is dus een briefschrijver, dat is het virus, een postbode, dat is het RNA, een boodschap, het DNA dus, en een adres, dat zijn de eiwitproducenten. U onderschept de postbode als die een brief aflevert, en u stuurt dan een nieuwe postbode met een nieuwe brief. Die zorgt ervoor dat de fabriek gesloten wordt. Is dat ongeveer wat u bedoelt?"
"Ja," zei Merwede opgelucht. "Dat was de kern van ons onderzoek."
"Goed," zei de man. "Als inspecteur van de Gezondsheidsdienst weet ik wel het een en ander van genmanipulatie." Hij zuchtte. "Maar wat is er dan misgegaan?"
Die zaterdag was het eerste experiment gepland, omdat Jan Lenning dan niet werkte, maar thuis was. Het was geen goed moment om nu nog zijn toestemming te moeten vragen, wat hij zeker geweigerd zou hebben. Hij wilde alleen rust om zijn salaris op te strijken.
Maar zijn staf was er klaar voor. De nanomocs waren uit hun zilverkleurige kookpotten gekomen en zouden in een petrischaaltje worden geplaatst. Het idee was om een Ebolavirus als proefkonijn te gebruiken. Om te zien of de nanomocs konden worden geprogrammeerd om het RNA van dat virus te ontregelen.
Het experiment werd een groot succes. De nanomocs onderschepten het RNA molecuul van het virus zodra het zich op weg begaf naar de ribosomen van de cel. En daar drongen ze voor en leverden hun eigen informatie af - er werd geen nieuwe cel gevormd. Het virus was gestopt. Toen de resultaten eenmaal waren geverifieerd hadden ze de champagne te voorschijn gehaald uit de kamer van Lenning. Laat in de nacht gingen ze pas naar huis. Het experiment was blijven staan, het zou de eerst volgende werkdag worden opgeruimd.
Peter Merwede was als eerste in het laboratorium die maandag. Alles zag er normaal uit.
"Tot ik naar het petrischaaltje keek. Met het blote oog kon je zien dat daar iets was veranderd. Het hele schaaltje was nu grijs en onder de microscoop kon ik een heleboel nanomocs zien. Ze waren bijna allemaal inactief. Maar ook het ebolavirus was verdwenen."
"Dus?" zei de man. "Niks aan de hand toch?"
Peter keek hem bijna smekend aan.
"Geduld, meneer. Ik kom zo bij de hoofdzaak. Wat ik zag waren nanomocs, maar ik zag ze in allerlei vormen en maten. Ze hadden een eigen DNA kern gekregen. Het waren kleine organismen geworden. Ze hadden niet alleen de informatie geblokkeerd, ze hadden die in feite zelf overgenomen."
"De man keek verward. "U bedoelt dat de nano, nanomocs nu allemaal ebolavirussen geworden zijn?"
"Nee," zei Peter, "het is een geheel nieuw organisme dat ze gevormd hebben. Het is te vergelijken met een virus, maar niet met ebola. Dat type virussen heeft maar een ding op het oog, en dat is zichzelf repliceren. Hoe meer hoe beter. De nanomocs zijn oorspronkelijk vervaardigd en geprogrammeerd om informatie te onderscheppen en te vernietigen. Ze lijken meer op computer-virussen dan op biologische virussen."
De man keek opgelucht. "Dan is er toch niets aan de hand?"
"Dat dachten wij eerst ook."
Toen de anderen ook binnen waren, werd in vliegende haast het onderzoek weer opgestart. Eerst moesten ze weten of alle nanomocs inderdaad nog aanwezig waren. Ze zetten het petrischaaltje onder de elektronenmicroscoop en lieten de computer de telling doen. Vervolgens moest er gerekend worden. Er waren 11,000 nanomocs geweest toen het experiment begon. Als je uitging van de temperatuur en de snelheid waarmee de nanomocs zichzelf konden repliceren, dan kwam je op het aantal dat er die dag had moeten zijn. En dat was de eerste vreselijke ontdekking. Er waren er veel te weinig. Na drie dagen hadden er ongeveer 400,000 kunnen zijn, maar op het schaaltje lagen nog maar 80,000, voor het merendeel dode nanomocs.
De tweede ontdekking kwam toen ze de moleculen aan een nader onderzoek onderwierpen. De meeste nanomocs waren uitgeschakeld op de manier waarop een virus werd uitgeschakeld: door wijziging van de code waarmee het RNA de eiwitproductie moest programmeren.
"Ze hebben elkaar vernietigd. En toen begrepen we het. Ze zijn gemuteerd. Ze wachten niet meer af tot het moment dat RNA de informatie gaat overbrengen, ze vallen nu die informatie zelf aan. En als ze niks kunnen vinden, vallen ze elkaar aan, want ze bevatten zelf ook informatie. De nanomocs kunnen vervolgens zichzelf enkele malen kopiëren zonder een cel buiten zich nodig te hebben en vallen dan alles aan wat informatie bevat. En ze worden nu door de lucht gedragen. Ze zijn niet meer afhankelijk van een vloeibare omgeving. We dachten niet dat het mogelijk was dat ze konden muteren. Dat zat oorspronkelijk niet in hun programma. Maar het ergste komt nog. De lekkerste informatie die ze kunnen vinden, zit in menselijke hersenen."
"Wat?" Op het gezicht van de man stond nu ontzetting te lezen. "Ze eten hersenen?"
"Nee," zei Peter. "Geen hersencellen. Ze gedragen zich anders. Na hun mutatie vallen ze alles aan wat informatie kan dragen. Maar de meest omvangrijke manier om informatie op te slaan is niet die van DNA of de biologische informatie binnen een cel. Dat is peanuts. Wat zijn de grootste informatie dragers? Dat zijn hele reeksen van cellen in de hersenen die samen een brok informatie kunnen opslaan, denk maar een harde schijf van een computer. De nanomocs eten memen, kleine eenheden informatie die in ons geheugen is opgeslagen en van generatie tot generatie wordt doorgegeven. Het handboek zegt: "Memen kunnen delen bevatten van ideeën, talen, melodieën, ontwerpen, morele en esthetische waarden, vaardigheden en al het andere dat normaliter wordt aangeleerd en doorgegeven aan anderen."
"Hebt u al eens een moment van vergeetachtigheid gehad sinds u hier binnen bent? Kunt u zich het volkslied nog herinneren? Weet u nog hoe u heet, en wat goed en kwaad is, en of u van uw vrouw houdt? Weet u nog welke nationaliteit u heeft en zegt het woord "God" u nog iets? Als deze nanomocs gaan rondvliegen in de buitenwereld, zal op de lange duur alle belangrijke informatie die we van generatie op generatie overdragen verloren gaan. Alleen technische en wetenschappelijke informatie zal misschien bewaard blijven, die zijn niet interessant genoeg, te klein. Maar als de memen eenmaal op zijn, is er misschien geen houden meer aan. We zullen daarom een quarantaine moeten instellen. Als ze vrijkomen begint er een epidemie van vergeetachtigheid op ongekende schaal."
"God allemachtig, dat mag niet gebeuren." zei de man. "Zeker niet midden in de examen tijd."
"En toen kwam Jan Lenning binnen om te vragen wat we met zijn champagne gedaan hadden. Hij stond precies in die hoek. Daar zaten de nanomocs bij elkaar. We hadden niet aan de airco unit gedacht. Hij kreeg vervolgens de volle laag toen hij binnen hun sensorische afstand kwam."
Hij wees naar de man die in een hoek van de kamer op het tapijt zat, achter het blauwige schijnsel van een biologisch krachtveld, met een duim in zijn mond wiegde hij heen en weer. Ze konden hem nog net horen zingen: "Zie ginds komt de stoomboot, alle krenten mikken Wilhelmus, van Nassouwe, meester, meester heb je blauwe drop, en daar komt Swiebertje."
"Is hij…?" vroeg Verwegen.
"Jazeker. Alles is weg. Maar het is een geluk bij een ongeluk. Ze hadden zich zo zat gevreten aan de informatie in zijn hersens, dat ze vervolgens allemaal inactief werden. Uiteindelijk is hij Nobelprijswinnaar, met een doctoraat biologie, theologie en filosofie. Hij was de grootste buit die ze hier konden binnenhalen."
"Overdosis," zei Verwegen. "Teveel memen is blijkbaar ook niet goed."
"Nee," zei Merwede. "Maar wat doen we nou met hem?"
Lenning begon net aan zijn tweede liedje.
vrijdag 30 januari 2009
Het begin is nog niet in zicht
Over de politieke crisis die aan alles voorafging
“De ergste crisis sinds de jaren dertig, het einde is nog niet in zicht,” was de titel van een artikel dat op 18 september 2008 in het Wall Street Journal te vinden was van de hand van John Hilsenrath, Serena Ng en Damian Palette. De kop van dit artikel was geen bijzonder verschijnsel. Zo waren er meer. Maar misschien raakt een andere crisis hierdoor uit het gezichtsveld. En die heeft alles met de oorzaken van de huidige malaise te maken.
We raken na enkele maanden bijna gewend aan deze retoriek terwijl we proberen onze eigen financiële situatie in de hand te houden. Te midden van geruchten en verklaringen, voorspellingen over een herstel binnen twee, vijf of zelfs zeven jaar, zijn we allemaal in de ban geraakt van de retoriek van de crisis.
Die retoriek is redelijk consistent. Niet dat men het eens is over de precieze oorzaak van de crisis, althans niet onder politici. In de Verenigde Staten woedt al weer het debat tussen voor en tegenstanders van strengere regulering van de markt door de overheid. Terwijl beide partijen het eens zijn over het idee dat alleen met regeringsinterventie bedrijven en gezinnen op korte termijn nog enigszins geholpen kunnen worden. De rol van de markt en die van de staat worden in het debat in ieder geval nog scherp onderscheiden.
Er lijkt ook grote eensgezindheid te bestaan over de hoofdlijnen van de crisis. Het is volgens sommigen in een simpel rijtje afkortingen samen te vatten: ICLCFCEC. Als oorzaak wordt over het algemeen de overmaat aan schulden aangewezen die zowel door overheden als door privé huishoudens is opgebouwd. De financiële crisis is begonnen doordat huishoudens hun leningen – die jaarlijks met gemiddeld 11% groeiden in de Verenigde Staten – niet langer konden aflossen.
Deze insolventie crisis (IC) leidde tot een gebrek aan geld op de financiële markten, toen investeerders zich massaal terugtrokken. De onderpanden, bestaande uit bundelingen van hypothecaire leningen, werden niet langer geaccepteerd en verhandeld, omdat huiseigenaren zich massaal aan hun verplichtingen begonnen te onttrekken. Het geld dat anders voor nieuwe leningen en investeringen zou worden gebruikt, was simpelweg niet meer in roulatie. De “insolvency crisis” werd een liquiditeitscrisis. (LC)
Het grotere aanbod op de huizenmarkt dat daardoor ontstond, leidde bovendien tot een scherpe prijsdaling. Omdat huizen vaak onderpand waren voor een eerste of tweede hypotheek, bleven de banken met het tekort zitten, waardoor aan de crisis nog een derde element toegevoegd werd: de financiële crisis was een feit. (FC) Financiële instellingen die sinds de jaren zeventig een ongeëvenaarde winst hadden behaald, raakten nu zelf in de problemen.
So far, so good. Een kleine verstopping in de verder gezonde pijpleiding van het westerse kapitalisme. Maar tenslotte zakte door het tekort aan geld op de kapitaalmarkt en de scherpe prijsdalingen ook de aandelenmarkt in. Het vertrouwen in de voorheen ongeremde economische groei ging verloren en dat leidde tot een heuse economische crisis, vergelijkbaar alleen met de Beurskrach van de jaren twintig van de vorige eeuw. En dan hebben we het einde van het rijtje afkortingen bereikt: EC.
Wat houdt het in, deze economische crisis? Bedrijven kunnen grote orders niet meer uitvoeren omdat ze geen geld kunnen lenen voor de korte termijn; iedereen wil af van zijn te hoge leningen en verkoopt daardoor wat hij kan. (Een proces dat in het Engels deleveraging genoemd wordt.) Maar hoe meer men verkopen wil, des te lager wordt de prijs. Kapitaal wordt aan de productie onttrokken om de te hoge leningen versneld af te lossen. Kapitaal wordt zo schaarser en schaarser. En dat begint tenslotte ook de werkgelegenheid te beïnvloeden.
Consumenten krijgen steeds minder te besteden. Wat weer betekent dat producten steeds moeilijker verhandeld kunnen worden. Het altijd al wankele evenwicht tussen productie en consumptie verdwijnt tenslotte in een wervelende val de diepte in.
De consumenten en de regeringen krijgen natuurlijk nu de schuld. Het ziet er ook niet goed uit. De gemiddelde Amerikaan had een schuld op zijn creditcard rond 1990 van ongeveer $ 2000, in 2007 was dat $ 8000. De totale schuld van Amerikanen steeg tot in de biljoenen dollars – meer schuld dan er geld in omloop was. Men sloot hypothecaire leningen af op grond van onzekere inkomens, of op grond van een tweede of derde gezinsinkomen. Amerikanen gingen gemiddeld 20% langer werken dan Europeanen. Men gokte er steeds op dat de huizenprijzen zouden blijven stijgen en dat het gezinsinkomen elk jaar wel weer omhoog zou gaan. Om een simpele reden was dat vaak niet waar: de moeder kon niet meteen weer aan het werk, ouders konden door ziekte of een ongeval hun inkomen verliezen, en voortijdig ontslag was en bleef denkbaar. En in deze economische crisis is het zelfs iets om rekening mee te houden waardoor de consumptie daalt - nee niet van vuurwerk en kerstkalkoenen maar wel van auto's en vaatwassers. Is het dan nu allemaal de schuld van een consument die meer schuld op zich heeft genomen dan verstandig was?
Er is nog een retoriek werkzaam die een andere kant op wijst en in ieder geval een verklaring geeft voor dit excessieve lenen. Men zegt dat de gemiddelde Amerikaanse werknemer vanaf 1820 tot ongeveer 1970 gemiddeld elk jaar meer produceerde en meer verdiende. Elke generatie had het beter dan de vorige. Met de productiviteit steeg ook de winst van bedrijven en het niveau van de consumptie. Zelfs na de jaren zeventig was dat het geval, niet in de laatste plaats door de massale introductie van de Personal Computer.
Maar de arbeidsmarkt veranderde in de jaren zeventig. Door de concurrentie met Europa bij voorbeeld. Met name Duitsland wist juist in die tijd zijn economie weer op gang te krijgen, zoals dat ook met Japan al gebeurd was. De voormalige tegenstanders in de tweede wereldoorlog werden nu concurrenten op de wereldmarkt. Japanse auto’s bleken met hun scherpe prijzen en hoogwaardige technologie succesvol tegenover de relatief dure Amerikaanse automerken.
Om de winstmarges te behouden moesten de Amerikaanse lonen gelijk blijven of zelfs omlaag gaan. In diezelfde tijd was er een massale toestroom van vrouwen en immigranten op de arbeidsmarkt, terwijl banen verdwenen naar derde wereld landen. Vaak moesten gezinnen het redden door vier banen te hebben en de zorg voor kleine kinderen aan een crèche of gouvernante over te laten. Het extra inkomen moest voor een deel weer worden gebruikt voor de noodzakelijke tweede auto en therapeutische kosten – want de druk op het gezin is psychologisch zwaar te dragen.
Was er dan een alternatief? De verwachting dat het niveau van de consumptie elke generatie zal stijgen is een ideaalbeeld dat door zowat alle Amerikanen gedeeld wordt en sinds 1820 ook een realiteit was. In feite is het niveau van de consumptie de enige maatstaf voor de waarde die iemand heeft. Ook met een inkomen dat steeds minder waard is, zal toch het gewenste consumptieniveau behaald moeten worden.
Met een dalend inkomen en stijgende arbeidsdruk moet een hoger consumptieniveau behaald worden. Hoe is dat dan mogelijk? Het antwoord is lenen. Een geheel nieuwe kans lag hier voor het bedrijfsleven door financiële instellingen op te zetten die leenvormen bedachten die gekoppeld werden aan aandelen en afgedekt werden met een stelsel van gecompliceerde verzekeringen. Onderpand leek er genoeg te zijn, want veel Amerikanen waren eigenaar van hun eigen huis. Met 11% per jaar steeg gemiddeld het krediet van Amerikanen, het consumptieniveau steeg ondanks de afvlakkende lonen sinds 1970 tot 2007.
Maar nu is het eind van deze vooruitgang in zicht gekomen. Is het begin ook al in het zicht? Want hoe kwam eigenlijk de insolventie crisis tot stand? Voor een deel zegt men terecht dat ongebreide consumptie en excessieve winststrevingen debet zijn aan de malaise. Maar hoe konden die zich zo ontwikkelen? Misschien zouden we moeten denken aan de politieke crisis, die niemand opmerkte vanaf het begin van de jaren zeventig, die juist bestaat in het ontbreken van politieke visies. De afbouw van de ideologieën- met plezier begroet, omdat het de markt tot een neutraal instrument kon verheffen - betekende het eind van het debat over hoe we de samenleving eigenlijk wilden inrichten. De discussie gaat sinds de jaren zeventig nog uitsluitend over de middelen. Politiek is management geworden: de doelen staan vast, nu moet alles alleen nog georganiseerd worden. Maar wat zijn die doelen: hogere consumptie, grotere welvaart, grotere productie? By any means! Ten koste van milieu, de sociale cohesie, het gezinsleven en de zekerheid van werknemers. Desnoods.
Als het neoliberalisme eenmaal het mensbeeld heeft vastgesteld, kan de samenleving worden gelijkgeschakeld: de staat wordt een afdeling binnen een globale corporatie.
Willen we dat? Als we erover nadenken waarschijnlijk niet. Maar in de politieke crisis die aan deze economische voorafging wordt ons dat niet meer ernstig gevraagd. De vraag is nu of deze economische crisis ons helpen kan om ons weer te bezinnen op het begin ervan in het ontbreken van werkelijk politiek debat. Ik zit te wachten op de krantenkop die zegt: het begin is nu eindelijk in zicht. De politiek is terug. Alleen die diagnose kan ons op de lange termijn aan een vreedzame en welvarende samenleving helpen.
“De ergste crisis sinds de jaren dertig, het einde is nog niet in zicht,” was de titel van een artikel dat op 18 september 2008 in het Wall Street Journal te vinden was van de hand van John Hilsenrath, Serena Ng en Damian Palette. De kop van dit artikel was geen bijzonder verschijnsel. Zo waren er meer. Maar misschien raakt een andere crisis hierdoor uit het gezichtsveld. En die heeft alles met de oorzaken van de huidige malaise te maken.
We raken na enkele maanden bijna gewend aan deze retoriek terwijl we proberen onze eigen financiële situatie in de hand te houden. Te midden van geruchten en verklaringen, voorspellingen over een herstel binnen twee, vijf of zelfs zeven jaar, zijn we allemaal in de ban geraakt van de retoriek van de crisis.
Die retoriek is redelijk consistent. Niet dat men het eens is over de precieze oorzaak van de crisis, althans niet onder politici. In de Verenigde Staten woedt al weer het debat tussen voor en tegenstanders van strengere regulering van de markt door de overheid. Terwijl beide partijen het eens zijn over het idee dat alleen met regeringsinterventie bedrijven en gezinnen op korte termijn nog enigszins geholpen kunnen worden. De rol van de markt en die van de staat worden in het debat in ieder geval nog scherp onderscheiden.
Er lijkt ook grote eensgezindheid te bestaan over de hoofdlijnen van de crisis. Het is volgens sommigen in een simpel rijtje afkortingen samen te vatten: ICLCFCEC. Als oorzaak wordt over het algemeen de overmaat aan schulden aangewezen die zowel door overheden als door privé huishoudens is opgebouwd. De financiële crisis is begonnen doordat huishoudens hun leningen – die jaarlijks met gemiddeld 11% groeiden in de Verenigde Staten – niet langer konden aflossen.
Deze insolventie crisis (IC) leidde tot een gebrek aan geld op de financiële markten, toen investeerders zich massaal terugtrokken. De onderpanden, bestaande uit bundelingen van hypothecaire leningen, werden niet langer geaccepteerd en verhandeld, omdat huiseigenaren zich massaal aan hun verplichtingen begonnen te onttrekken. Het geld dat anders voor nieuwe leningen en investeringen zou worden gebruikt, was simpelweg niet meer in roulatie. De “insolvency crisis” werd een liquiditeitscrisis. (LC)
Het grotere aanbod op de huizenmarkt dat daardoor ontstond, leidde bovendien tot een scherpe prijsdaling. Omdat huizen vaak onderpand waren voor een eerste of tweede hypotheek, bleven de banken met het tekort zitten, waardoor aan de crisis nog een derde element toegevoegd werd: de financiële crisis was een feit. (FC) Financiële instellingen die sinds de jaren zeventig een ongeëvenaarde winst hadden behaald, raakten nu zelf in de problemen.
So far, so good. Een kleine verstopping in de verder gezonde pijpleiding van het westerse kapitalisme. Maar tenslotte zakte door het tekort aan geld op de kapitaalmarkt en de scherpe prijsdalingen ook de aandelenmarkt in. Het vertrouwen in de voorheen ongeremde economische groei ging verloren en dat leidde tot een heuse economische crisis, vergelijkbaar alleen met de Beurskrach van de jaren twintig van de vorige eeuw. En dan hebben we het einde van het rijtje afkortingen bereikt: EC.
Wat houdt het in, deze economische crisis? Bedrijven kunnen grote orders niet meer uitvoeren omdat ze geen geld kunnen lenen voor de korte termijn; iedereen wil af van zijn te hoge leningen en verkoopt daardoor wat hij kan. (Een proces dat in het Engels deleveraging genoemd wordt.) Maar hoe meer men verkopen wil, des te lager wordt de prijs. Kapitaal wordt aan de productie onttrokken om de te hoge leningen versneld af te lossen. Kapitaal wordt zo schaarser en schaarser. En dat begint tenslotte ook de werkgelegenheid te beïnvloeden.
Consumenten krijgen steeds minder te besteden. Wat weer betekent dat producten steeds moeilijker verhandeld kunnen worden. Het altijd al wankele evenwicht tussen productie en consumptie verdwijnt tenslotte in een wervelende val de diepte in.
De consumenten en de regeringen krijgen natuurlijk nu de schuld. Het ziet er ook niet goed uit. De gemiddelde Amerikaan had een schuld op zijn creditcard rond 1990 van ongeveer $ 2000, in 2007 was dat $ 8000. De totale schuld van Amerikanen steeg tot in de biljoenen dollars – meer schuld dan er geld in omloop was. Men sloot hypothecaire leningen af op grond van onzekere inkomens, of op grond van een tweede of derde gezinsinkomen. Amerikanen gingen gemiddeld 20% langer werken dan Europeanen. Men gokte er steeds op dat de huizenprijzen zouden blijven stijgen en dat het gezinsinkomen elk jaar wel weer omhoog zou gaan. Om een simpele reden was dat vaak niet waar: de moeder kon niet meteen weer aan het werk, ouders konden door ziekte of een ongeval hun inkomen verliezen, en voortijdig ontslag was en bleef denkbaar. En in deze economische crisis is het zelfs iets om rekening mee te houden waardoor de consumptie daalt - nee niet van vuurwerk en kerstkalkoenen maar wel van auto's en vaatwassers. Is het dan nu allemaal de schuld van een consument die meer schuld op zich heeft genomen dan verstandig was?
Er is nog een retoriek werkzaam die een andere kant op wijst en in ieder geval een verklaring geeft voor dit excessieve lenen. Men zegt dat de gemiddelde Amerikaanse werknemer vanaf 1820 tot ongeveer 1970 gemiddeld elk jaar meer produceerde en meer verdiende. Elke generatie had het beter dan de vorige. Met de productiviteit steeg ook de winst van bedrijven en het niveau van de consumptie. Zelfs na de jaren zeventig was dat het geval, niet in de laatste plaats door de massale introductie van de Personal Computer.
Maar de arbeidsmarkt veranderde in de jaren zeventig. Door de concurrentie met Europa bij voorbeeld. Met name Duitsland wist juist in die tijd zijn economie weer op gang te krijgen, zoals dat ook met Japan al gebeurd was. De voormalige tegenstanders in de tweede wereldoorlog werden nu concurrenten op de wereldmarkt. Japanse auto’s bleken met hun scherpe prijzen en hoogwaardige technologie succesvol tegenover de relatief dure Amerikaanse automerken.
Om de winstmarges te behouden moesten de Amerikaanse lonen gelijk blijven of zelfs omlaag gaan. In diezelfde tijd was er een massale toestroom van vrouwen en immigranten op de arbeidsmarkt, terwijl banen verdwenen naar derde wereld landen. Vaak moesten gezinnen het redden door vier banen te hebben en de zorg voor kleine kinderen aan een crèche of gouvernante over te laten. Het extra inkomen moest voor een deel weer worden gebruikt voor de noodzakelijke tweede auto en therapeutische kosten – want de druk op het gezin is psychologisch zwaar te dragen.
Was er dan een alternatief? De verwachting dat het niveau van de consumptie elke generatie zal stijgen is een ideaalbeeld dat door zowat alle Amerikanen gedeeld wordt en sinds 1820 ook een realiteit was. In feite is het niveau van de consumptie de enige maatstaf voor de waarde die iemand heeft. Ook met een inkomen dat steeds minder waard is, zal toch het gewenste consumptieniveau behaald moeten worden.
Met een dalend inkomen en stijgende arbeidsdruk moet een hoger consumptieniveau behaald worden. Hoe is dat dan mogelijk? Het antwoord is lenen. Een geheel nieuwe kans lag hier voor het bedrijfsleven door financiële instellingen op te zetten die leenvormen bedachten die gekoppeld werden aan aandelen en afgedekt werden met een stelsel van gecompliceerde verzekeringen. Onderpand leek er genoeg te zijn, want veel Amerikanen waren eigenaar van hun eigen huis. Met 11% per jaar steeg gemiddeld het krediet van Amerikanen, het consumptieniveau steeg ondanks de afvlakkende lonen sinds 1970 tot 2007.
Maar nu is het eind van deze vooruitgang in zicht gekomen. Is het begin ook al in het zicht? Want hoe kwam eigenlijk de insolventie crisis tot stand? Voor een deel zegt men terecht dat ongebreide consumptie en excessieve winststrevingen debet zijn aan de malaise. Maar hoe konden die zich zo ontwikkelen? Misschien zouden we moeten denken aan de politieke crisis, die niemand opmerkte vanaf het begin van de jaren zeventig, die juist bestaat in het ontbreken van politieke visies. De afbouw van de ideologieën- met plezier begroet, omdat het de markt tot een neutraal instrument kon verheffen - betekende het eind van het debat over hoe we de samenleving eigenlijk wilden inrichten. De discussie gaat sinds de jaren zeventig nog uitsluitend over de middelen. Politiek is management geworden: de doelen staan vast, nu moet alles alleen nog georganiseerd worden. Maar wat zijn die doelen: hogere consumptie, grotere welvaart, grotere productie? By any means! Ten koste van milieu, de sociale cohesie, het gezinsleven en de zekerheid van werknemers. Desnoods.
Als het neoliberalisme eenmaal het mensbeeld heeft vastgesteld, kan de samenleving worden gelijkgeschakeld: de staat wordt een afdeling binnen een globale corporatie.
Willen we dat? Als we erover nadenken waarschijnlijk niet. Maar in de politieke crisis die aan deze economische voorafging wordt ons dat niet meer ernstig gevraagd. De vraag is nu of deze economische crisis ons helpen kan om ons weer te bezinnen op het begin ervan in het ontbreken van werkelijk politiek debat. Ik zit te wachten op de krantenkop die zegt: het begin is nu eindelijk in zicht. De politiek is terug. Alleen die diagnose kan ons op de lange termijn aan een vreedzame en welvarende samenleving helpen.
Abonneren op:
Posts (Atom)