Op mijn twaalfde ben ik bekeerd, op ouderwetse wijze. Damascus-ervaring, plotseling was het allemaal waar en was ik een ander mens.
Ik laat de hoofdpersoon van “De Zegen van Ruben Verwij” dat precies zo doormaken. In tegenstelling tot mijzelf, houdt hij daaraan vast, veel langer dan ik, om het uiteindelijk toch kwijt te raken wanneer de midlife crisis aanbreekt. Maar dit terzijde.
Ik geloof niet meer in geloof.
Ik versta onder “geloven” dat ik een overtuiging heb aangaande de realiteit die geen bewijs heeft, en niet rationeel gefundeerd kan worden.
Ik “geloof” daarom niet in de opstanding van Jezus, de wonderen uit de Bijbel, de schepping van hemel en aarde in zes dagen, en ik geloof al helemaal niet in de gemeente.
In dat opzicht ben ik modern.
Maar ik ben niet modern genoeg om nu vervolgens post-modern te worden en te zeggen dat ik het ondanks dat alles toch ergens wel een beetje geloof. Dat ik net kan doen alsof ik het geloof, dat ik kan handelen alsof het waar is – strategie van Paul van Buuren – vind ik onbelangrijk. Hoe je een gemeente kunt baseren op een postmoderne levensbeschouwing gebaseerd op het psychologische feit dat je ervan overtuigd bent – strategie van Stanley Hauerwas – begrijp ik ook niet. Het feit dat wij ergens van overtuigd zijn, zegt iets over onze verlangens, maar zegt niets over de werkelijkheid.
Omdat ik niet gelovig meer ben, doet het er voor mij ook niet toe of iemand vrijzinnig “gelovig” is of orthodox “gelovig”. Beide acht ik verkeerd.
Ik weiger de opoffering van mijn intellect en mijn zin voor waarheid en mijn respect voor rationaliteit en wetenschap om nog “gelovig” te zijn. Daarom voel ik mij verwant aan Hitchens (met een “i” dus) en Dennet en Harris. Ik vind geloof gevaarlijk.
Geloof doet geen wonderen, maar laat mensen een vliegtuig in de Twin Towers boren.
Geloof is soms hypocriet en baseert zich op het idee dat een ander het echt gelooft, zodat jij het niet hoeft. Vandaar de geloofshelden die we vereren omdat zij namens ons doen wat we zelf eigenlijk niet meer kunnen: geloven.
Voor mij was het een aangename verrassing om in Amsterdam Nico Bakker te horen zeggen dat hij het niet geloofde. En Kees van Duin ook.
Maar dat betekent niet dat de tradities en de theologie nu waardeloos geworden zijn, want die hangen niet van mijn (ons) geloof af.
Wie ze geloven wil, zal moeten schiften. Als moderne gelovige gebruiken we de exegese om ons aan de teksten te ontworstelen. Er staat maagdelijke geboorte, maar dat is een verhaal dat we met een korrel zout moeten nemen. We interpreteren naar de betekenis toe of naar de functie die het toch moet hebben. Ons geloof wordt dan dubbelzinnig: we houden eraan vast tegen beter weten in. We geloven dat het verhaal waardevol is, terwijl we tevens weten dat het niet waar is. Dat is volgens mij de spagaat van de moderne gelovigheid.
Ik wil daarvan af.
En daarom moet ik de oorspronkelijke zin van pistis en èmoenah zien terug te vinden. Voordat Athanasius het geloof definieerde als de overtuiging omtrent een waarheid.
En dat moet ik zien af te schermen van het onzalige idee, dat gelovigheid een vorm van vertrouwen in de wereld is. Want een dergelijk blind vertrouwen is evenmin rationeel.
zaterdag 30 januari 2010
Cogito ergo non credo
Uiteindelijk gaat het om (de) waarheid.
Religie is al eeuwen op de terugtocht. Dat is al begonnen bij kritische ontdekkingen binnen de religie zelf. Toen de latijnse tekst van de Bijbel niet de autoriteit kon zijn, moest er opnieuw grieks en hebreeuws worden gestudeerd en kregen we de Lutherbijbel. De wereld zag er anders uit.
Toen autoriteit alleen niet voldoende bleek, kregen de gelovigen een eigen geweten en de Geest gaf iedereen de waarheid te zien zoals Hij het wilde. De Reformatie was geboren.
En daarmee ook het onderscheid tussen seculier en kerkelijk – God regeerde nog over beide, maar de eerste scheur was zichtbaar.
Aristoteles kon nog worden geïntegreerd in de middeleeuwse synthese van geloof en weten, maar de Verlichting maakte daar een definitief einde aan. Door Aristoteles te weerleggen viel ook die synthese weg.
Geloof en weten staan vanaf dat moment op voet van oorlog. En het weten wint, omdat het naar waarheid streeft.
Vanaf de 18e eeuw moet de religie in West-Europa speuren naar de marges die nog open worden gelaten. Als de wetenschap ontdekt dat alle leven op aarde een gezamenlijke voorouder heeft – en de soorten dus niet apart geschapen zijn – laat men Adam en Eva varen. Het worden symbolen.
Als de aarde bolvormig blijkt te zijn, wordt het model van de platte aarde een poëtisch beeld. Het is een intussen al bekende strategie: wat achteraf niet klopt, wordt als poëzie geherwaardeerd.
Als de aarde niet in het centrum van het heelal staat, wordt het een beeld van het ultieme belang van de mensheid voor haar schepper. En wie kan dat weerleggen? Ook al blijkt nu, dat de geschiedenis van de kosmos zich totaal niets van de aanwezigheid van mensen aantrekt en over een veertig miljard jaar simpelweg zal verdwijnen. Met ons erin – als de aarde al niet eerder sterft in de laatste zonsondergang.
Als de mensheid een paar miljoen jaar ouder blijkt te zijn dan de 6000 jaar van de Scofield Bible, is heel Genesis 1 en 2 metafoor geworden. En dat geeft niet, want als metafoor blijken ze altijd al behandeld te zijn, d.w.z. door de rabbijnen.
Dat het bewijst dat Gods interventie in de geschiedenis van de mensheid wel heel laat is ingezet, en dat duizenden generaties van mensen het zonder die goddelijke nabijheid hebben moeten doen, valt niemand op.
Postmoderne christelijke theologen kunnen plotseling heel goed uit de voeten met het idee dat het toch allemaal maar verhalen zijn.
Ze registreren niet meer dat het betekent dat de Bijbel in zijn geheel een mythe is geworden, en dat de wetenschap iets van waarde heeft te zeggen over de betekenis en de oorsprong van het menselijke leven, en het universum.
Heeft God op de zevende dag de sabbat geschapen? En is dus niet de mens, maar de sabbath de kroon van de schepping?
Really?
Of “symbolically” in jouw preken of in de verhalen van de geestelijke leiders van een West-Semitisch volk uit het IJzeren tijdperk? (Die moesten uitleggen waarom je je aan de regels van sabbath moest houden want anders zou je gestenigd kunnen worden. Die niet wisten dat ziekten door bacteriën, onweersbuiten door lage drukgebieden en sprinkhaanplagen door instinctief gedrag worden veroorzaakt. Die dachten dat andere culturen en religies immoreel waren en moesten worden uitgeroeid. )
Maar is het ook waar? Het argument dat wij anders geen rustdag zouden hebben, zou ik als onvoldoende willen uitsluiten.
Als blijkt dat de kosmos een slordige 14 miljard jaar oud is, en uit een Big Bang is voortgekomen, blijven Christenen spreken over een schepper – terwijl ze blijven bedoelen dat God de hemel en de aarde gemaakt heeft. Uit observaties blijkt dat in de kosmos geen sabbath wordt gehouden, althans , het aantal supernovae is op de zaterdag niet noemenswaardig minder.
“Dat van die schepping neem je toch wel met een korrel zout, hè?”
“Natuurlijk! Ik ben wel een gelovige, maar ik ben niet gek!”
“Maar wat betekent het dan nog? Er zit nu inmiddels zoveel zout in je geloof in een schepper, dat er niks meer over is.”
“Nou, ik bedoel hiermee, om het concreet te maken, dat de Big Bang toch ook ergens uit voortgekomen moet zijn.”
“Wetenschappers weten niet waar de Big Bang vandaan kwam.”
“Zie je wel! Dat bedoel ik nou.”
“Ze zeggen dat je dat ook niet kunt weten. Er was geen plaats vóór de Big bang en ook geen tijd. Ruimte en tijd zijn gelijktijdig ontstaan.”
“Aha. Dat is precies wat ik bedoel, wetenschappers weten niet alles. Dus heeft de Bijbel toch wel ergens gelijk dat er een schepper moet zijn geweest.”
“Maar het idee van een schepper helpt ons niet verder. De wetenschap heeft het idee van een God niet nodig.”
“Dat komt omdat zij alles rationeel willen zien. Dat is een neiging die we moeten vermijden, dat rationele. Waarom geen ruimte laten voor het poëtische en irrationele?”
“Misschien omdat het irrationele en het poëtische niets met waarheid te maken hebben?”
“Ja, dat zeg jij. Maar ik denk daar anders over.”
“Je laat een dichter toch ook niet een diagnose stellen van je gezondheid?”
“Dat is het punt niet! Wetenschap is nuttig, maar het verklaart niet alles. Ze zeggen het zelf, dat ze het niet weten. Dus mag ik gewoon blijven zeggen, dat God de hemel en de aarde gemaakt heeft. Weerleggen kunnen ze dat ook niet.”
Het is nog erger als je naar de psychologie kijkt. Religie komt voort uit de noodzaak een symbolisch universum te creëren, waarin zaken als goed en kwaad kunnen worden ingeschreven. Dat berust op diepe mechanismen in de geest en komt uiteindelijk uit een sociale behoefte aan orde voort. De “Grote Vader” is het ultieme symbool daarvan. Alle religies zijn systemen om een symbolische orde met de Grote Vader aan het hoofd neer te zetten. Op te leggen. Af te dwingen.
“Tja, dat kunnen die psychologen wel zeggen, maar…”
“Ze geven je dus een inzicht in waar je geloof vandaan komt. Nog even en dan komen ze ook met een medicijn. Eigenlijk hebben ze dat al: een goede opleiding ijn rationele vormen van denken, kennis van de wetenschappelijke methode.”
“Ik weet waar mijn geloof vandaan komt, dank je wel. Het staat rotsvast. Toen ik twaalf jaar oud was, heb ik God gezien.”
“God gezien?”
“Ja, een liefdevolle presentie die ik niet kon begrijpen, alsof de warmte over je lijf heen strijkt, je een verliefd gevoel krijgt, je weet dat er iemand v an je houdt, zomaar.”
“En dat was God?”
“Voor mij wel.”
“Dus het was een individuele psychologische ervaring en een individuele persoonlijke duiding en daar hang je alles aan op?”
“Ja, en dat mag, want we leven inmiddels in de 21 e eeuw.”
“Dat is duidelijk, ja.”
Opnieuw protesteert mijn verstand. Die religieuze ervaring wordt naar zijn waarheid toch beter begrepen door de moderne psychologie? Die vertrouwen we wel als het aankomt op inzicht in psychosen, schizofrenie en andere ongelukjes. Maar waarom dan niet als ze ons komen vertellen waar religieuze gevoelens en ervaringen vandaan komen.
Psychologen kunnen dat vluchtgedrag ook verklaren.
De gaten in het wetenschappelijk wereldbeeld worden schaarser. De schepper moet bij de Big bang worden binnengesmokkeld, God de Vader in de marge van de psychologie, en het verhaal van Jezus moet ook herduid worden. We halen de religie uit de religie om tegen de oprukkende rationaliteit bestand te zijn. Maar we zijn aan een hopeloze aftocht bezig.
“Jezus was een goed mens, die het opnam voor de armen en de zwakken in de samenleving en voor zijn overtuigingen vervolgd werd.”
“Maar hij was toch de Zoon van God, God de Zoon zelfs?”
“Nee, dat is de orthodoxie van Nicea. Dat geloven we niet meer.”
“Maar zeggen dat Jezus een goed mens is geweest is geen uiting van geloof, dat is geschiedenis.”
“Precies. Probeer daar maar eens wat tegen te zeggen.”
Nou, bij voorbeeld dat je na die historische aanduiding niet meer bij het geloof in Jezus Messias kunt terugkomen.
Als Jezus is, wat hij historisch is, dan is er alleen het merkwaardige verschijnsel van het geloof in hem als messias, verlosser, God de Zoon e.d.
Dat kan sociologisch goed worden verklaard. Een massa ontheemden, ontrechten, armen en zwakken hebben een held nodig. De soldaten hebben hun Mithras, en Jezus is net zo iemand: de gelovigen krijgen hun kracht door hem te delen in een symbolische maaltijd en hij overwint de dood in de opstanding.
Wishful thinking.
De historische Jezus is daar niet verantwoordelijk voor.
Maar als je de historische Jesus voor je ziet, - de joodse prediker die oproept tot een reformatie van het jodendom - is dat niet iemand om te volgen, om in te geloven, het is niet iemand wiens leer voorrang heeft boven alle anderen. Want hij is een mens net als wij.
Houden we over: de Heilige Geest.
Inspiratie van boven, momenten van inzicht en kracht boven de normale verwachting uit. Het onverwachte, motiverende, enthousiasmerende. Kijk, bijt daar maar eens uw tanden op stuk, gij wetenschappelijke, ongelovige hond!
Maar Einstein noemde zijn momenten van plotseling inzicht ook niet per se Goddelijk. Waarom zou de psychologie niet kunnen verklaren hoe ons denken en onze intuïtie werken? Hoe ideeën die we van elders gehoord hebben in ons blijven doorwerken totdat ze, eenmaal rijp geworden, uitbotten met al hun diepte en kracht? Eureka - ik heb het (gevonden)! - is dan een betere uitdrukking dan “dank u Heer.”
Tenslotte: dit is voor mij geen spel. Als ik de weg naar mijn vorige “Barthianisme” al nadenkend niet kan vinden, komt het hier op Hyves tot een retractatio van mijn geloof.
Want het gaat tenslotte om de waarheid.
En het moet nog blijken of dat te rijmen valt met pistis (geloof, vertrouwen) of emoenah (trouw, verbondenheid)
Religie is al eeuwen op de terugtocht. Dat is al begonnen bij kritische ontdekkingen binnen de religie zelf. Toen de latijnse tekst van de Bijbel niet de autoriteit kon zijn, moest er opnieuw grieks en hebreeuws worden gestudeerd en kregen we de Lutherbijbel. De wereld zag er anders uit.
Toen autoriteit alleen niet voldoende bleek, kregen de gelovigen een eigen geweten en de Geest gaf iedereen de waarheid te zien zoals Hij het wilde. De Reformatie was geboren.
En daarmee ook het onderscheid tussen seculier en kerkelijk – God regeerde nog over beide, maar de eerste scheur was zichtbaar.
Aristoteles kon nog worden geïntegreerd in de middeleeuwse synthese van geloof en weten, maar de Verlichting maakte daar een definitief einde aan. Door Aristoteles te weerleggen viel ook die synthese weg.
Geloof en weten staan vanaf dat moment op voet van oorlog. En het weten wint, omdat het naar waarheid streeft.
Vanaf de 18e eeuw moet de religie in West-Europa speuren naar de marges die nog open worden gelaten. Als de wetenschap ontdekt dat alle leven op aarde een gezamenlijke voorouder heeft – en de soorten dus niet apart geschapen zijn – laat men Adam en Eva varen. Het worden symbolen.
Als de aarde bolvormig blijkt te zijn, wordt het model van de platte aarde een poëtisch beeld. Het is een intussen al bekende strategie: wat achteraf niet klopt, wordt als poëzie geherwaardeerd.
Als de aarde niet in het centrum van het heelal staat, wordt het een beeld van het ultieme belang van de mensheid voor haar schepper. En wie kan dat weerleggen? Ook al blijkt nu, dat de geschiedenis van de kosmos zich totaal niets van de aanwezigheid van mensen aantrekt en over een veertig miljard jaar simpelweg zal verdwijnen. Met ons erin – als de aarde al niet eerder sterft in de laatste zonsondergang.
Als de mensheid een paar miljoen jaar ouder blijkt te zijn dan de 6000 jaar van de Scofield Bible, is heel Genesis 1 en 2 metafoor geworden. En dat geeft niet, want als metafoor blijken ze altijd al behandeld te zijn, d.w.z. door de rabbijnen.
Dat het bewijst dat Gods interventie in de geschiedenis van de mensheid wel heel laat is ingezet, en dat duizenden generaties van mensen het zonder die goddelijke nabijheid hebben moeten doen, valt niemand op.
Postmoderne christelijke theologen kunnen plotseling heel goed uit de voeten met het idee dat het toch allemaal maar verhalen zijn.
Ze registreren niet meer dat het betekent dat de Bijbel in zijn geheel een mythe is geworden, en dat de wetenschap iets van waarde heeft te zeggen over de betekenis en de oorsprong van het menselijke leven, en het universum.
Heeft God op de zevende dag de sabbat geschapen? En is dus niet de mens, maar de sabbath de kroon van de schepping?
Really?
Of “symbolically” in jouw preken of in de verhalen van de geestelijke leiders van een West-Semitisch volk uit het IJzeren tijdperk? (Die moesten uitleggen waarom je je aan de regels van sabbath moest houden want anders zou je gestenigd kunnen worden. Die niet wisten dat ziekten door bacteriën, onweersbuiten door lage drukgebieden en sprinkhaanplagen door instinctief gedrag worden veroorzaakt. Die dachten dat andere culturen en religies immoreel waren en moesten worden uitgeroeid. )
Maar is het ook waar? Het argument dat wij anders geen rustdag zouden hebben, zou ik als onvoldoende willen uitsluiten.
Als blijkt dat de kosmos een slordige 14 miljard jaar oud is, en uit een Big Bang is voortgekomen, blijven Christenen spreken over een schepper – terwijl ze blijven bedoelen dat God de hemel en de aarde gemaakt heeft. Uit observaties blijkt dat in de kosmos geen sabbath wordt gehouden, althans , het aantal supernovae is op de zaterdag niet noemenswaardig minder.
“Dat van die schepping neem je toch wel met een korrel zout, hè?”
“Natuurlijk! Ik ben wel een gelovige, maar ik ben niet gek!”
“Maar wat betekent het dan nog? Er zit nu inmiddels zoveel zout in je geloof in een schepper, dat er niks meer over is.”
“Nou, ik bedoel hiermee, om het concreet te maken, dat de Big Bang toch ook ergens uit voortgekomen moet zijn.”
“Wetenschappers weten niet waar de Big Bang vandaan kwam.”
“Zie je wel! Dat bedoel ik nou.”
“Ze zeggen dat je dat ook niet kunt weten. Er was geen plaats vóór de Big bang en ook geen tijd. Ruimte en tijd zijn gelijktijdig ontstaan.”
“Aha. Dat is precies wat ik bedoel, wetenschappers weten niet alles. Dus heeft de Bijbel toch wel ergens gelijk dat er een schepper moet zijn geweest.”
“Maar het idee van een schepper helpt ons niet verder. De wetenschap heeft het idee van een God niet nodig.”
“Dat komt omdat zij alles rationeel willen zien. Dat is een neiging die we moeten vermijden, dat rationele. Waarom geen ruimte laten voor het poëtische en irrationele?”
“Misschien omdat het irrationele en het poëtische niets met waarheid te maken hebben?”
“Ja, dat zeg jij. Maar ik denk daar anders over.”
“Je laat een dichter toch ook niet een diagnose stellen van je gezondheid?”
“Dat is het punt niet! Wetenschap is nuttig, maar het verklaart niet alles. Ze zeggen het zelf, dat ze het niet weten. Dus mag ik gewoon blijven zeggen, dat God de hemel en de aarde gemaakt heeft. Weerleggen kunnen ze dat ook niet.”
Het is nog erger als je naar de psychologie kijkt. Religie komt voort uit de noodzaak een symbolisch universum te creëren, waarin zaken als goed en kwaad kunnen worden ingeschreven. Dat berust op diepe mechanismen in de geest en komt uiteindelijk uit een sociale behoefte aan orde voort. De “Grote Vader” is het ultieme symbool daarvan. Alle religies zijn systemen om een symbolische orde met de Grote Vader aan het hoofd neer te zetten. Op te leggen. Af te dwingen.
“Tja, dat kunnen die psychologen wel zeggen, maar…”
“Ze geven je dus een inzicht in waar je geloof vandaan komt. Nog even en dan komen ze ook met een medicijn. Eigenlijk hebben ze dat al: een goede opleiding ijn rationele vormen van denken, kennis van de wetenschappelijke methode.”
“Ik weet waar mijn geloof vandaan komt, dank je wel. Het staat rotsvast. Toen ik twaalf jaar oud was, heb ik God gezien.”
“God gezien?”
“Ja, een liefdevolle presentie die ik niet kon begrijpen, alsof de warmte over je lijf heen strijkt, je een verliefd gevoel krijgt, je weet dat er iemand v an je houdt, zomaar.”
“En dat was God?”
“Voor mij wel.”
“Dus het was een individuele psychologische ervaring en een individuele persoonlijke duiding en daar hang je alles aan op?”
“Ja, en dat mag, want we leven inmiddels in de 21 e eeuw.”
“Dat is duidelijk, ja.”
Opnieuw protesteert mijn verstand. Die religieuze ervaring wordt naar zijn waarheid toch beter begrepen door de moderne psychologie? Die vertrouwen we wel als het aankomt op inzicht in psychosen, schizofrenie en andere ongelukjes. Maar waarom dan niet als ze ons komen vertellen waar religieuze gevoelens en ervaringen vandaan komen.
Psychologen kunnen dat vluchtgedrag ook verklaren.
De gaten in het wetenschappelijk wereldbeeld worden schaarser. De schepper moet bij de Big bang worden binnengesmokkeld, God de Vader in de marge van de psychologie, en het verhaal van Jezus moet ook herduid worden. We halen de religie uit de religie om tegen de oprukkende rationaliteit bestand te zijn. Maar we zijn aan een hopeloze aftocht bezig.
“Jezus was een goed mens, die het opnam voor de armen en de zwakken in de samenleving en voor zijn overtuigingen vervolgd werd.”
“Maar hij was toch de Zoon van God, God de Zoon zelfs?”
“Nee, dat is de orthodoxie van Nicea. Dat geloven we niet meer.”
“Maar zeggen dat Jezus een goed mens is geweest is geen uiting van geloof, dat is geschiedenis.”
“Precies. Probeer daar maar eens wat tegen te zeggen.”
Nou, bij voorbeeld dat je na die historische aanduiding niet meer bij het geloof in Jezus Messias kunt terugkomen.
Als Jezus is, wat hij historisch is, dan is er alleen het merkwaardige verschijnsel van het geloof in hem als messias, verlosser, God de Zoon e.d.
Dat kan sociologisch goed worden verklaard. Een massa ontheemden, ontrechten, armen en zwakken hebben een held nodig. De soldaten hebben hun Mithras, en Jezus is net zo iemand: de gelovigen krijgen hun kracht door hem te delen in een symbolische maaltijd en hij overwint de dood in de opstanding.
Wishful thinking.
De historische Jezus is daar niet verantwoordelijk voor.
Maar als je de historische Jesus voor je ziet, - de joodse prediker die oproept tot een reformatie van het jodendom - is dat niet iemand om te volgen, om in te geloven, het is niet iemand wiens leer voorrang heeft boven alle anderen. Want hij is een mens net als wij.
Houden we over: de Heilige Geest.
Inspiratie van boven, momenten van inzicht en kracht boven de normale verwachting uit. Het onverwachte, motiverende, enthousiasmerende. Kijk, bijt daar maar eens uw tanden op stuk, gij wetenschappelijke, ongelovige hond!
Maar Einstein noemde zijn momenten van plotseling inzicht ook niet per se Goddelijk. Waarom zou de psychologie niet kunnen verklaren hoe ons denken en onze intuïtie werken? Hoe ideeën die we van elders gehoord hebben in ons blijven doorwerken totdat ze, eenmaal rijp geworden, uitbotten met al hun diepte en kracht? Eureka - ik heb het (gevonden)! - is dan een betere uitdrukking dan “dank u Heer.”
Tenslotte: dit is voor mij geen spel. Als ik de weg naar mijn vorige “Barthianisme” al nadenkend niet kan vinden, komt het hier op Hyves tot een retractatio van mijn geloof.
Want het gaat tenslotte om de waarheid.
En het moet nog blijken of dat te rijmen valt met pistis (geloof, vertrouwen) of emoenah (trouw, verbondenheid)
Geloof en wetenschap (1)
"En de mens zei: laat ons een God maken naar ons beeld en naar onze behoeften en de mens schiep een God, groot en alwetend schiep hij Hem."
We weten heel veel, maar doen net alsof het ons geloof niet raakt.
Er is een minimaal Bijbels geloof in veel zaken. Bij voorbeeld dat God zich vanaf het begin van het bestaan van de mens, met die mens bemoeid heeft.
Dat is een belangrijke gedachte. Doet Hij dat niet vanaf het begin, dan is het niet heel zinvol om aan te nemen dat Hij zich nu met ons bezighoudt.
Waarom niet? Omdat een God die we als Schepper vereren, zich toch niet millennia lang zal terugtrekken om pas weer in de oertijd van Israël zich bekend te maken?
Maar als Hij zich in het heden niet met ons bezighoudt, dan zijn we "Deïst" en is onze religieuze praktijk niet erg zinvol.
Denk maar aan gebed en zang. Doen we dat dan uitsluitend voor onszelf? Maar de tekst daarvan spreekt een God aan en spreekt van Gods daden in de geschiedenis, dus als Hij zich niets van ons aantrekt, dan is dat allemaal zinloos. Maar ik dwaal af.
We geloven dus, op een of andere manier, dat God zich vanaf het begin met ons mensen heeft bezig gehouden. Hij spreekt met Adam en Eva, wandelt in de Tuin van Eden, geeft aan de mens een gebod etc. etc.
Dat is ook heel redelijk als de mens geschapen is, laten we zeggen een slordige 6000 jaar geleden. Gelooft iemand dat nog?
Mar hoe ziet dat idee eruit als de mens door evolutie is ontstaan?
Normaal gesproken nemen wij tegenover de evolutie een schizofrene houding aan. We "weten" dat het als wetenschappelijke theorie waar moet zijn, en we zien de Bijbel ook niet als wetenschappelijke weerlegging daarvan. Toch geloven we intussen wel dat "God zich altijd al met de mens heeft beziggehouden", want dat staat dan toch maar als verkondiging in de Bijbel. Dat is niet te rijmen met het idee van een geleidelijke evolutie van de mens.
De mens bestaat al 40,000 jaar. Vanaf 25,000 jaar geleden is er bewijs voor zoiets als cultuur. De 2000 jaar vanaf Christus of de 6000 jaar vanaf Abraham zijn dan relatief een korte tijd.
Aapachtigen bestaan zelfs al meer dan 100,000 jaar en dat zijn onze voorouders. Wanneer is er bovendien zoiets als de mens? Toen aapachtigen rechtop gingen lopen?
En waarom schiep God eerst de dinosauriërs? En waarom werden die - ook door God "geschapen wezens" toch? - door een enkele ramp uitgeroeid, zodat enkele zoogdieren konden uitgroeien tot de dominante diersoort? En als God die wezens dan niet "geschapen" heeft, waar kwamen ze dan vandaan en waarom?
Vroomheid zal wel weer zeggen dat zoiets Goddelijke wijsheid is. Maar is dat geen uitvlucht? Want het idee van een intelligente Godheid die met ons de redelijkheid gemeen heft, wordt er toch door ondermijnd.
Kan het dan waar zijn dat God zich van meet af aan iets van de mens heeft aangetrokken? Dat Hij met de mens in geestelijk contact heeft gestaan? Dat mensen ervaringen van de presentie van God hebben gehad? Natuurlijk is het denkbaar dat onze voorouders en soort religie hebben gehad. Maar dat is niet de religie van de God van de Bijbel. Het is een hoop op een leven na de dood - bewezen door de daad van het begraven met voorwerpen voor onderweg.
Nu zijn er twee mogelijkheden:
1) God trok zich iets van deze mens aan, maar hoe weten we niet, en uiteindelijk deed hij dat binnen de cultuurgeschiedenis op de manier die we uit de Bijbel kennen. Er is dan een tijdperk van "onschuld" waarin God de mens in hoge mate met rust laat. Totdat hij begint zich te bemoeien met de mens vanaf het ontstaan van de eerste steden. Dat is het moment dat de Bijbel begint te vertellen.
2) God trok zich niets van deze mens aan, en het idee dat Hij dat wel doet is in de cultuur van een latere mensheid ontstaan.
Het minimale Bijbelse geloof is dus ofwel onjuist - God trekt zich niets van de mens aan - ofwel leidt tot een beeld van wreedheid. God laat de mensheid 25,000 jaar lang met rust en dan pas maakt Hij zich bekend.
En we weten dat die mens de Bijbelse God niet kent, juist omdat we weten wat die mens wel geloofde: dat je instrumenten van de jacht zou kunnen meenemen naar een leven voorbij de dood. Dat er vele goden waren die gunstig moesten worden gestemd voor de jacht. En dat je met de invloed van de zielen van overledenen en die van de gejaagde dieren te maken had.
Een wereld dus van animisme en magie.
Nu kan ik dat alles afdoen als "wetenschap" die natuurlijk niet alles weet en die met religie niets te maken heeft etc. etc. Geloof is immers persoonlijk geloof, en wetenschap is wetenschap en die kunnen toch best samengaan.
Maar is het niet redelijker om te zeggen dat ze elkaar tegenspreken en dat de wetenschap hier verder reikt en meer wet dan wat wij uit de Bijbelse tekst afleiden? Opnieuw: wij kunnen dat rustig negeren en meestal doen we dat ook.
Maar is dat redelijk?
We weten heel veel, maar doen net alsof het ons geloof niet raakt.
Er is een minimaal Bijbels geloof in veel zaken. Bij voorbeeld dat God zich vanaf het begin van het bestaan van de mens, met die mens bemoeid heeft.
Dat is een belangrijke gedachte. Doet Hij dat niet vanaf het begin, dan is het niet heel zinvol om aan te nemen dat Hij zich nu met ons bezighoudt.
Waarom niet? Omdat een God die we als Schepper vereren, zich toch niet millennia lang zal terugtrekken om pas weer in de oertijd van Israël zich bekend te maken?
Maar als Hij zich in het heden niet met ons bezighoudt, dan zijn we "Deïst" en is onze religieuze praktijk niet erg zinvol.
Denk maar aan gebed en zang. Doen we dat dan uitsluitend voor onszelf? Maar de tekst daarvan spreekt een God aan en spreekt van Gods daden in de geschiedenis, dus als Hij zich niets van ons aantrekt, dan is dat allemaal zinloos. Maar ik dwaal af.
We geloven dus, op een of andere manier, dat God zich vanaf het begin met ons mensen heeft bezig gehouden. Hij spreekt met Adam en Eva, wandelt in de Tuin van Eden, geeft aan de mens een gebod etc. etc.
Dat is ook heel redelijk als de mens geschapen is, laten we zeggen een slordige 6000 jaar geleden. Gelooft iemand dat nog?
Mar hoe ziet dat idee eruit als de mens door evolutie is ontstaan?
Normaal gesproken nemen wij tegenover de evolutie een schizofrene houding aan. We "weten" dat het als wetenschappelijke theorie waar moet zijn, en we zien de Bijbel ook niet als wetenschappelijke weerlegging daarvan. Toch geloven we intussen wel dat "God zich altijd al met de mens heeft beziggehouden", want dat staat dan toch maar als verkondiging in de Bijbel. Dat is niet te rijmen met het idee van een geleidelijke evolutie van de mens.
De mens bestaat al 40,000 jaar. Vanaf 25,000 jaar geleden is er bewijs voor zoiets als cultuur. De 2000 jaar vanaf Christus of de 6000 jaar vanaf Abraham zijn dan relatief een korte tijd.
Aapachtigen bestaan zelfs al meer dan 100,000 jaar en dat zijn onze voorouders. Wanneer is er bovendien zoiets als de mens? Toen aapachtigen rechtop gingen lopen?
En waarom schiep God eerst de dinosauriërs? En waarom werden die - ook door God "geschapen wezens" toch? - door een enkele ramp uitgeroeid, zodat enkele zoogdieren konden uitgroeien tot de dominante diersoort? En als God die wezens dan niet "geschapen" heeft, waar kwamen ze dan vandaan en waarom?
Vroomheid zal wel weer zeggen dat zoiets Goddelijke wijsheid is. Maar is dat geen uitvlucht? Want het idee van een intelligente Godheid die met ons de redelijkheid gemeen heft, wordt er toch door ondermijnd.
Kan het dan waar zijn dat God zich van meet af aan iets van de mens heeft aangetrokken? Dat Hij met de mens in geestelijk contact heeft gestaan? Dat mensen ervaringen van de presentie van God hebben gehad? Natuurlijk is het denkbaar dat onze voorouders en soort religie hebben gehad. Maar dat is niet de religie van de God van de Bijbel. Het is een hoop op een leven na de dood - bewezen door de daad van het begraven met voorwerpen voor onderweg.
Nu zijn er twee mogelijkheden:
1) God trok zich iets van deze mens aan, maar hoe weten we niet, en uiteindelijk deed hij dat binnen de cultuurgeschiedenis op de manier die we uit de Bijbel kennen. Er is dan een tijdperk van "onschuld" waarin God de mens in hoge mate met rust laat. Totdat hij begint zich te bemoeien met de mens vanaf het ontstaan van de eerste steden. Dat is het moment dat de Bijbel begint te vertellen.
2) God trok zich niets van deze mens aan, en het idee dat Hij dat wel doet is in de cultuur van een latere mensheid ontstaan.
Het minimale Bijbelse geloof is dus ofwel onjuist - God trekt zich niets van de mens aan - ofwel leidt tot een beeld van wreedheid. God laat de mensheid 25,000 jaar lang met rust en dan pas maakt Hij zich bekend.
En we weten dat die mens de Bijbelse God niet kent, juist omdat we weten wat die mens wel geloofde: dat je instrumenten van de jacht zou kunnen meenemen naar een leven voorbij de dood. Dat er vele goden waren die gunstig moesten worden gestemd voor de jacht. En dat je met de invloed van de zielen van overledenen en die van de gejaagde dieren te maken had.
Een wereld dus van animisme en magie.
Nu kan ik dat alles afdoen als "wetenschap" die natuurlijk niet alles weet en die met religie niets te maken heeft etc. etc. Geloof is immers persoonlijk geloof, en wetenschap is wetenschap en die kunnen toch best samengaan.
Maar is het niet redelijker om te zeggen dat ze elkaar tegenspreken en dat de wetenschap hier verder reikt en meer wet dan wat wij uit de Bijbelse tekst afleiden? Opnieuw: wij kunnen dat rustig negeren en meestal doen we dat ook.
Maar is dat redelijk?
Klagerig Godsbewijs
Ik had zo'n aardig godsbewijsje bedacht
1. De wereld is de totaliteit van alle eindige, contingente dingen die er zijn.
2. De wereld is ofwel oneindig en heeft een voldoende reden van bestaan in zichzelf of zij is eindig en heeft dat niet in zichzelf maar buiten zichzelf.
2a. Als zij geen voldoende reden heeft, dan is alles onbegrijpelijk want er is geen laatste verklaring mogelijk.
2.b Als zij dat wel heeft, dan kan die voldoende reden zelf geen contingent ding zijn. Ook dat laatste contingente feit heeft dan immer een voldoende reden van bestaan nodig.
3. Dus: als de wereld begrepen kan worden, dan bestaat er een noodzakelijk wezen, dat de verklaring bevat van de wereld en van zichzelf.
4. De wereld is echter inderdaad begrijpelijk, zij het op eindige wijze.
5. Dus bestaat er een oneindig wezen dat de laatste verklaring kan zijn voor de contingente totaliteit van de wereld.
6. Ook als wij die niet kennen, is het noodzakelijk deze te veronderstellen, omdat wij anders ook geen enkele partiële verklaring van het contingente als zinvol kunnen inzien.
7. En dit oneindige wezen noemen wij allen God.
Misschien vind je deze aardiger:
Als ik een vlucht vogels zie en mijn ogen daarna sluit, dan weet ik dat ik een eindig en bepaald aantal vogels heb gezien.
Omdat mijn ogen gesloten zijn, kan ik dat echter niet zeker weten. Misschien is het in werkelijkheid een oneindig aantal vogels? Maar dat is in strijd met mijn ervaring en kennis van de wereld. Mijn ervaring van de wereld leidt tot contradicties: ik weet dat het een eindig aantal moet zijn, maar omdat ik dat aantal niet weet, moet ik de mogelijkheid openlaten dat ik een oneindig aantal heb gezien.
Maar dat weerlegt mijn ervaring en maakt alle ervaring onzeker, zodra ik mijn ogen even sluit.
Als er dus wel degelijk een bepaald aantal vogels rondvloog, dan moet er een God zijn die dat weet.
Maar als je de vragen niet stelt, zul je de antwoorden ook niet kunnen waarderen.
1. De wereld is de totaliteit van alle eindige, contingente dingen die er zijn.
2. De wereld is ofwel oneindig en heeft een voldoende reden van bestaan in zichzelf of zij is eindig en heeft dat niet in zichzelf maar buiten zichzelf.
2a. Als zij geen voldoende reden heeft, dan is alles onbegrijpelijk want er is geen laatste verklaring mogelijk.
2.b Als zij dat wel heeft, dan kan die voldoende reden zelf geen contingent ding zijn. Ook dat laatste contingente feit heeft dan immer een voldoende reden van bestaan nodig.
3. Dus: als de wereld begrepen kan worden, dan bestaat er een noodzakelijk wezen, dat de verklaring bevat van de wereld en van zichzelf.
4. De wereld is echter inderdaad begrijpelijk, zij het op eindige wijze.
5. Dus bestaat er een oneindig wezen dat de laatste verklaring kan zijn voor de contingente totaliteit van de wereld.
6. Ook als wij die niet kennen, is het noodzakelijk deze te veronderstellen, omdat wij anders ook geen enkele partiële verklaring van het contingente als zinvol kunnen inzien.
7. En dit oneindige wezen noemen wij allen God.
Misschien vind je deze aardiger:
Als ik een vlucht vogels zie en mijn ogen daarna sluit, dan weet ik dat ik een eindig en bepaald aantal vogels heb gezien.
Omdat mijn ogen gesloten zijn, kan ik dat echter niet zeker weten. Misschien is het in werkelijkheid een oneindig aantal vogels? Maar dat is in strijd met mijn ervaring en kennis van de wereld. Mijn ervaring van de wereld leidt tot contradicties: ik weet dat het een eindig aantal moet zijn, maar omdat ik dat aantal niet weet, moet ik de mogelijkheid openlaten dat ik een oneindig aantal heb gezien.
Maar dat weerlegt mijn ervaring en maakt alle ervaring onzeker, zodra ik mijn ogen even sluit.
Als er dus wel degelijk een bepaald aantal vogels rondvloog, dan moet er een God zijn die dat weet.
Maar als je de vragen niet stelt, zul je de antwoorden ook niet kunnen waarderen.
[Artikel] De twijfel als symptoom en de kerk als fetisj
Het is een goed Vrijzinnig voorschrift dat een mens, zelfs die bijzondere mens die zich "gelovig" noemt, ook twijfelt. Niet alleen twijfelen mag - want alles mag - maar ook twijfelen moet. Zekerheid op geloofsgebied wordt veel minder acceptabel geacht dan onzekerheid. Maar omgekeerd, zekerheid op gebieden buiten het geloof in strikte, traditionele zin - geloof in engelen, aura's, wonderbare genezingen, magnetisme - wordt wel weer geaccepteerd. En zelfs bevorderd door cursussen mantra's zingen en mandala's tekenen.
Ik denk dat dat komt, omdat we toch met zijn allen in meerdere of mindere mate materialist zijn. Wie over aura's spreekt, pretendeert in ieder geval iets reëels aan de orde te stellen dat met de vereiste kennis ook in de ervaring kan worden gevonden. Het is in die zin wetenschappelijk naar zijn vorm. En dat mag dan weer tot zekerheid leiden. Zolang je maar niet beweert dat iedereen het behoort te begrijpen en weten moet. Want dat is dan weer het dogmatische wat uiteraard streng verboden is.
Over de aard van die twijfel wordt doorgaans ook niet scherp nagedacht. "Twijfel" behoort daarmee tot emotionele kernwoorden zoals "gelovig" zijn of "een gevoel hebben" die na de uitspraak ook geen discussie toelaten. Wie in het geloofsgesprek erop zou aandringen dat iemand definieert wat hij bedoelt, wordt als spelbreker gezien. Men mag alleen uit eigen ervaring illustreren, ook wanneer dat juist tot diepere vragen zou leiden.
Ook hier moet ik de neiging onderdrukken om de gedachte - die zijn eigen helderheid heeft - aan te vullen met een beeld. Bij voorbeeld… Alsof wat ik bedoel beter zou worden gezegd wanneer ik het ontleen aan de ervaring, terwijl de ervaring juist kritisch beproefd dient te worden vanuit mijn gedachte. Wie een voorbeeld geven moet, ontkracht de kritische gedachte die zich juist van de ervaring tracht te emanciperen.
Twijfel kán een symptoom zijn van ongeloof. Er is moed nodig om van een onrustgevoel over de gedachten die men geacht wordt te hebben, te zeggen dat ze geen rol meer spelen. Dit is het moment waarop het woord "eigenlijk" een streep trekt door mijn identiteit. Ik ga naar de kerk, maar "eigenlijk" geloof ik niet in God. Dat "eigenlijk" zegt, dat ik er niet bij hoor, en toch weer wel, omdat iedereen met die twijfel kan zitten en mijn twijfels recht hebben op erkenning zolang ze niet uitmonden in obstinate ontkenningen. Het zegt ook, - en dat wordt niet gezien - dat mijn twijfels een symptoom zijn van een ongeloof, dat ik tracht te verdringen. Ik doe net alsof ik niet weet dat ik niet geloof. Niet-weten dat je niet gelooft kan zo de plaats innemen van geloof. Het verdrongen trauma van het verloren geloof komt terug in de vorm van de twijfel, terwijl ik voor het overige probeer te leven alsof ik wel geloofde. Zo kun je bij de dood van een geliefde net doen alsof zij er nog is. Twijfel als symptoom.
Een fetisj is eigenlijk het omgekeerde van het symptoom. Ik accepteer de dood van de geliefde volkomen, maar ik heb iets om me aan vast te houden zodat ik het verlies kan accepteren. Het kleine altaar van foto's en kaarsen voor de overledene kan een houvast bieden zonder me illusies te geven.
Is twijfel een fetisj? Functioneert het psychologisch zo? Ik denk het niet. Ik ga naar de kerk om de volledige impact van het verlies van mijn geloof ongedaan te kunnen maken. Al is het maar tijdelijk. Ik spreek rationeel over mijn geloof en wat ik niet meer geloof. Ik oefen mijn recht uit om te twijfelen. Wie daaruit de consequentie zou moeten trekken dat ook de kerk geen functie meer vervult, stuit op een laatste grens. Die kerk is juist nodig om te kunnen verwerken dat ik dat geloof heb verloren. Zo lijkt het dat niet de twijfel, maar de kerkgang een fetisj is, en de twijfel zelf het symptoom van mijn ongeloof. Dat verklaart de kalmte waarmee een geloofscrisis wordt doorleefd. Wie een fetisj heeft, is nuchter en praktisch.
Daaruit valt in ieder geval af te leiden dat statistieken over kerkbezoek ons maar weinig vertellen over het geloof van mensen. Wie vanaf de kansel naar een volle kerk staart, kan zich soms niet aan de vraag onttrekken of iedereen daar voor je werkelijk gelooft. Nog afgezien van je eigen ongeloof, dat je even overviel vlak voor je de kerk binnenstapte. In de kerkgang overleeft het geloof op magische wijze zijn eigen dood. De twijfel herinnert ons eraan dat het geloof is gestorven. Als de twijfel volgroeid raakt of als de kerkgang geen troost meer biedt, stort het systeem in elkaar. Dan moeten we de betekenis van symptoom en fetisj onder ogen gaan zien en rationeel worden over waar we eigenlijk staan.
Het atheïsme dat daaruit voortvloeit gaat veel verder dan de modieuze twijfel en is moediger dan de vage illusies van gelovigheid zonder inhoud. En misschien is het dat harde atheïsme dat ons open maakt voor wat het evangelie ons te zeggen heeft. Wie gelovigheid zoekt, meent al genoeg te hebben aan zijn vrome gevoelens.
Het betekent in ieder geval dat wat we tegen elkaar zeggen te geloven, alleen de oppervlakte van ons bewustzijn raakt. We moeten misschien eerlijker tegen elkaar worden en toegeven dat we meer waarde hechten aan het fetisj van de kerk dan aan de realiteit van het Bijbelse geloof die verloren ging. Van de thema's van het Credo van Nicea blijft dan alleen nog het vierde over:
Ik geloof in de kerk.
Ik denk dat dat komt, omdat we toch met zijn allen in meerdere of mindere mate materialist zijn. Wie over aura's spreekt, pretendeert in ieder geval iets reëels aan de orde te stellen dat met de vereiste kennis ook in de ervaring kan worden gevonden. Het is in die zin wetenschappelijk naar zijn vorm. En dat mag dan weer tot zekerheid leiden. Zolang je maar niet beweert dat iedereen het behoort te begrijpen en weten moet. Want dat is dan weer het dogmatische wat uiteraard streng verboden is.
Over de aard van die twijfel wordt doorgaans ook niet scherp nagedacht. "Twijfel" behoort daarmee tot emotionele kernwoorden zoals "gelovig" zijn of "een gevoel hebben" die na de uitspraak ook geen discussie toelaten. Wie in het geloofsgesprek erop zou aandringen dat iemand definieert wat hij bedoelt, wordt als spelbreker gezien. Men mag alleen uit eigen ervaring illustreren, ook wanneer dat juist tot diepere vragen zou leiden.
Ook hier moet ik de neiging onderdrukken om de gedachte - die zijn eigen helderheid heeft - aan te vullen met een beeld. Bij voorbeeld… Alsof wat ik bedoel beter zou worden gezegd wanneer ik het ontleen aan de ervaring, terwijl de ervaring juist kritisch beproefd dient te worden vanuit mijn gedachte. Wie een voorbeeld geven moet, ontkracht de kritische gedachte die zich juist van de ervaring tracht te emanciperen.
Twijfel kán een symptoom zijn van ongeloof. Er is moed nodig om van een onrustgevoel over de gedachten die men geacht wordt te hebben, te zeggen dat ze geen rol meer spelen. Dit is het moment waarop het woord "eigenlijk" een streep trekt door mijn identiteit. Ik ga naar de kerk, maar "eigenlijk" geloof ik niet in God. Dat "eigenlijk" zegt, dat ik er niet bij hoor, en toch weer wel, omdat iedereen met die twijfel kan zitten en mijn twijfels recht hebben op erkenning zolang ze niet uitmonden in obstinate ontkenningen. Het zegt ook, - en dat wordt niet gezien - dat mijn twijfels een symptoom zijn van een ongeloof, dat ik tracht te verdringen. Ik doe net alsof ik niet weet dat ik niet geloof. Niet-weten dat je niet gelooft kan zo de plaats innemen van geloof. Het verdrongen trauma van het verloren geloof komt terug in de vorm van de twijfel, terwijl ik voor het overige probeer te leven alsof ik wel geloofde. Zo kun je bij de dood van een geliefde net doen alsof zij er nog is. Twijfel als symptoom.
Een fetisj is eigenlijk het omgekeerde van het symptoom. Ik accepteer de dood van de geliefde volkomen, maar ik heb iets om me aan vast te houden zodat ik het verlies kan accepteren. Het kleine altaar van foto's en kaarsen voor de overledene kan een houvast bieden zonder me illusies te geven.
Is twijfel een fetisj? Functioneert het psychologisch zo? Ik denk het niet. Ik ga naar de kerk om de volledige impact van het verlies van mijn geloof ongedaan te kunnen maken. Al is het maar tijdelijk. Ik spreek rationeel over mijn geloof en wat ik niet meer geloof. Ik oefen mijn recht uit om te twijfelen. Wie daaruit de consequentie zou moeten trekken dat ook de kerk geen functie meer vervult, stuit op een laatste grens. Die kerk is juist nodig om te kunnen verwerken dat ik dat geloof heb verloren. Zo lijkt het dat niet de twijfel, maar de kerkgang een fetisj is, en de twijfel zelf het symptoom van mijn ongeloof. Dat verklaart de kalmte waarmee een geloofscrisis wordt doorleefd. Wie een fetisj heeft, is nuchter en praktisch.
Daaruit valt in ieder geval af te leiden dat statistieken over kerkbezoek ons maar weinig vertellen over het geloof van mensen. Wie vanaf de kansel naar een volle kerk staart, kan zich soms niet aan de vraag onttrekken of iedereen daar voor je werkelijk gelooft. Nog afgezien van je eigen ongeloof, dat je even overviel vlak voor je de kerk binnenstapte. In de kerkgang overleeft het geloof op magische wijze zijn eigen dood. De twijfel herinnert ons eraan dat het geloof is gestorven. Als de twijfel volgroeid raakt of als de kerkgang geen troost meer biedt, stort het systeem in elkaar. Dan moeten we de betekenis van symptoom en fetisj onder ogen gaan zien en rationeel worden over waar we eigenlijk staan.
Het atheïsme dat daaruit voortvloeit gaat veel verder dan de modieuze twijfel en is moediger dan de vage illusies van gelovigheid zonder inhoud. En misschien is het dat harde atheïsme dat ons open maakt voor wat het evangelie ons te zeggen heeft. Wie gelovigheid zoekt, meent al genoeg te hebben aan zijn vrome gevoelens.
Het betekent in ieder geval dat wat we tegen elkaar zeggen te geloven, alleen de oppervlakte van ons bewustzijn raakt. We moeten misschien eerlijker tegen elkaar worden en toegeven dat we meer waarde hechten aan het fetisj van de kerk dan aan de realiteit van het Bijbelse geloof die verloren ging. Van de thema's van het Credo van Nicea blijft dan alleen nog het vierde over:
Ik geloof in de kerk.
Abonneren op:
Posts (Atom)